Piet Zwart – Alles moet nieuw

Piet Zwart, Glas en roerstaafje, z.j. Ontwikkelgelatinezilverdruk, 172 x 123 mm. Collectie RKD Den Haag

In de database van het RKD kwam ik deze prachtige foto van Piet Zwart (1885-1977) tegen; een kunstenaar die niet alleen actief was als meubelontwerper, textielkunstenaar, architect, typograaf, keramist maar ook als fotograaf.  Zwart was in alles vooruitstrevend en werd door de BNO (Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers) postuum uitgeroepen tot Ontwerper van de Twintigste Eeuw. Er wordt momenteel een documentairefilm gemaakt over deze bijzondere kunstenaar door Memphis Film & Television en AVRO die op 14 april in premiere gaat en in het najaar op tv wordt uitgezonden. Leuk extraatje is dat de organisatie een affichewedstrijd uitschreef: bekijk hier de prachtige ontwerpen (waar je van 1 t/m 15 maart je stem op kan uitbrengen).

De huiskamer van Dirkje Kuik

Laatst bezocht ik een bijzonder huiskamermuseum in de Utrechtse binnenstad: Museum Dirkje Kuik. Kuik (1929-2008) was schrijfster, dichteres, illustratrice en graficus, een veelzijdige dame. Ze werd geboren als William Diedrich Kuik maar ging vanaf 1979 als vrouw door het leven. Haar leven lang woonde ze in Utrecht waarvan bijna de gehele periode in het huis aan de Oude Kamp dat nu als museum is ingericht. Ze exposeerde bij grafisch gezelschap De Luis, bij genootschap Kunstliefde en won verscheidene prijzen met haar literaire werk. In Museum Dirkje Kuik treedt je even binnen in haar wereld: een unieke ervaring.

Meer informatie op: www.dirkjekuik.com

Het portret op bovenstaande foto werd geschilderd door Erika Visser in 1979.

Penseelprinsessen en Broodschilderessen

Aletta Boelen, Schilderes met schilderskist, 1889. Tekening. Verblijfplaats onbekend (Afbeelding uit: Holland-Antwerpen: geïllustreerd gedenkblad ten voordeele van de slachtoffers der ramp te Antwerpen, Utrecht 1889.) Afbeelding collectie RKD (afkomstig uit legaat H.P. Bremmer 1956)

Vandaag promoveert RKD-collega Hanna Klarenbeek op haar proefschrift over de positie van kunstenaressen in de negentiende eeuw. Zij bewijst daarin dat het heersende beeld dat de kunstwereld voornamelijk een mannenzaak was grotendeels onjuist is. Vrouwen speelden wel degelijk een belangrijke rol in de kunstwereld en een groot aantal van hen volgde een opleiding aan de academie om vervolgens als kunstenares haar brood te verdienen. Deze kunstenaressen brengt Klarenbeek onder in de categorie ‘Broodschilderessen’. Een tweede groep vrouwen behoort tot de ‘Penseelprinsessen’: welgestelde dames die rondom het hof verbleven en – weliswaar onbezoldigd – maar zeker niet zonder succes schilderden.

De kunst van deze schilderessen, tekenaressen en beeldhouwsters is vaak vergeten en komt slechts sporadisch uit de depots van de Nederlandse musea tevoorschijn. De tentoonstellingen die bij Paleis het Loo (‘Penseelprinsessen’, 18 februari – 27 mei) en De Mesdag Collectie (‘Broodschilderessen’, 30 mei – 26 augustus) te zien zijn, bieden een uniek kijkje in dit kunstenaressenoeuvre uit museale en particuliere collecties. De bijbehorende publicatie Penseelprinsessen & broodschilderessen. Vrouwen in de beeldende kunst 1808-1913 verschijnt deze week bij uitgeverij Thoth.

Meer informatie

Rik en Jet Roland Holst & de Buissche Heide

Henriette en Richard Roland Holst voor de Angorahoeve op de Buissche Heide, 1924. Foto uit: Het Boek van de Buissche Heide, p. 41. Collectie Letterkundig Museum Den Haag
Zestig jaar na de dood van Henriette Roland Holst, ‘Neêrlands grootste dichteres’, organiseren het Vincent van GoghHuis en Natuurmonumenten in 2012 een speciaal Roland Holst Jaar. Onderdeel vormen een expositie, een boek, een film en tal van activiteiten op haar landgoed de Buissche Heide. Het Roland Holst Jaar in Zundert sluit aan bij het landelijke themajaar van de Historische Buitenplaats.
Tentoonstelling
De start vindt plaats in maart 2012 met de tentoonstelling ‘Het boek van de Buissche Heide – Henriette & Richard Roland Holst’ in het Vincent van GoghHuis. Uitgangspunt van deze expositie vormt het gastenboek van Roland Holst, uit de collectie van het Letterkundig Museum, waarin de namen van alle beroemde gasten staan genoteerd en de gebeurtenissen op het landgoed in de eerste helft van de 20e eeuw. Daarnaast staan de levens en werken centraal van dichteres en politica Henriette Roland Holst en kunstenaar Richard Nicolaüs Roland Holst. Bovendien wordt Richards rol uitgelicht als een van de eerste promotors van Van Goghs werk in Nederland.
Boek en documentaire
Bij de tentoonstelling verschijnt het gelijknamige boek met bijdragen van Elsbeth Etty, Carin Hereijgers, Lia Voermans, Lieske Tibbe en Annemiek Rens. Door producent Digna Sinke en regisseur Annette Apon wordt in de loop van het jaar een documentaire gerealiseerd over Henriette Roland Holst: ‘Droom en daad’. Omroep Brabant treedt op als mediapartner en de productie wordt ondersteund door Eye Film Instituut, Mediafonds en Nederlands Filmfonds.
Activiteiten
Door het jaar heen organiseren het Van GoghHuis en Natuurmonumenten tal van activiteiten op de Buissche Heide, varierend van theatervoorstellingen, lezingen, natuurexcursies en literatuurevenementen. VVV Zundert stelt met medewerking van Stichting Rotor het programma samen en biedt in samenwerking met Natuurmonumenten verschillende arrangementen aan. Daarvoor zijn de Herenkamer (gastenverblijf) en het weer gerestaureerde atelier van Richard Roland Holst beschikbaar.De ‘artist-in-residence’ van het Van GoghHuis zal dit jaar in het teken staan van Roland Holst en mogelijk worden aangevuld met een ‘writer-in-residence’. Met het Brabants Kenniscentrum Kunst en Cultuur (BKKC) en Erfgoed Brabant worden voorbereidingen getroffen voor een Landkunst project op de Buissche Heide. Aan studenten van de Bredase kunstacademie St Joost en Corsoacademie Zundert wordt eveneens inbreng gevraagd.
2012 Roland Holst Jaar wordt mogelijk gemaakt dankzij de Mondriaan Stichting, SNS Reaalfonds, Prof. Dr. H.F.J.M. van den Eerenbeemt Fonds, Stichting Gifted Art, Hendrik Muller Fonds, Gijzelaar Hintzenfonds en de Stichting Schone Kunsten rond 1900.
>> binnenkort meer over dit project op moderne meesters

Bart van der Leck & Hans Christian Andersen

Bart van der Leck in: H.C. Andersen, Het Vlas, Amsterdam (De Spieghel) 1942, p. 9.
Er is geen twijfel over mogelijk wie de vormgever is van bovenstaand sprookje. Kunstenaar Bart van der Leck (1876-1958) voorzag Het vlas van Hans Christian Andersen in 1941 van een geheel eigen stijl. Tekst en beeld vormen één artistiek geheel in gestileerde geometrische vormen en primaire kleuren, die meteen doen denken aan het werk van de kunstenaars van De Stijl (door Van der Leck overigens in 1918 al verlaten). Het boekje verscheen in 1942 bij De Spieghel als onderdeel van een reeks met minder bekende verhalen van Andersen die daarnaast geïllustreerd werden door Charley Toorop (Grethe het kippenvrouwtje), John Raedecker (Waldemar Dae en zijn dochters), Cornelis Veth (De schaduw) en Dirk Nijland (Het oude huis).
De genummerde oplage van Het vlas bestond uit 550 exemplaren, waarvan er 500 voor de handel bestemd waren. Deze eerste druk is zeldzaam, maar gelukkig is er een herdruk uit 1975 door Bert Bakker, ter gelegenheid van het 100ste sterfjaar van Andersen. Een exemplaar van de laatste siert tegenwoordig onze boekenkast. De voorstudies van Van der Leck voor Het vlas bevinden zich in de collectie van het Kröller-Müller Museum in Otterlo en ik kijk ernaar uit deze bijzondere ontwerpen eens in het echt te mogen aanschouwen.
Meer informatie:
Saskia de Bodt, Jeroen Kapelle e.a., Prentenboeken, Ideologie en Illustratie 1890-1950, Amsterdam-Gent (Ludion) 2003.
Saskia de Bodt, Getekend, Hans Christian Andersen. Zijn geïllustreerde sprookjes in de Lage Landen, Warnsveld (Terra Lannoo) 2005.
Meer werk op papier van Bart van der Leck:

Een Kandinsky uit 1903

VasilyKandinsky, De Nacht (grote versie),1903. Houtsnede, 29,8 x 12,9cm. Collectie MoMA New York

Laatst stuitte ik op dit vroege werk van Vasily Kandinsky (1866-1944) dat de Nacht symboliseert. De houtsnede is een combinatie van de stilistische motieven van enerzijds de Jugendstil en anderzijds de Russische volkskunst uit Kandinsky’s vaderland. Tegelijkertijd kondigt het de opkomst van het Expressionisme aan en doet het denken aan de houtsneden van kunstenaars als Emil Nolde en Ernst Ludwig Kirchner.

Expressionistische grafiek
De Expressionisten haalden hun inspiratie uit het werk van Neo-Impressionisten als Van Gogh, Gauguin en Munch maar ook in belangrijke mate uit de Jugendstil. De laatste vormde vaak een uitgangspunt voor een ontwikkeling van deze kunstenaars richting de Expressionistische stijl. Zij keken daarbij naar het abstraherende en decoratieve aspect van de kunst rond 1900.
Het werk is te bewonderen op de website die het MoMA maakte rondom grafiek en ander werk van het Duitse Expressionisme. Niet alleen Die Brücke en Der Blaue Reiter komen aan bod, maar ook vroege invloeden zoals bovenstaand werk van Vasily Kandinsky. Bovendien kan men zoeken op stijl, thema en techniek, maar ook op kunstenaar en op uitgever. En een aantal fantastisch mooie geïllustreerde boeken zoals Oskar Kokoschka’sDie Chinesische Mauer uit 1914 en Der Kopf van Ernst Barlach uit 1919 zijn volledig door te bladeren. Al met al zeer de moeite waard om eens te bekijken.
Dit artikel werd gepubliceerd op Rond1900.nl op 11 december 2011

Alexander Calder – De grote ontdekking

Herbert Matter, Installationview of Two Acrobats, ca. 1928 by Alexander Calder: in Stables and Mobiles, Pierre Matisse Gallery, New York, 23 feb-13 march 1937.
Het Gemeentemuseum Den Haag presenteert vanaf 11 februari 2012 de veelbelovende tentoonstelling ‘Alexander Calder – De grote ontdekking’. Met een grote rol voor onze eigen Piet Mondriaan want een bezoek van Alexander Calder (1898-1976) aan zijn Parijse atelier in 1930 betekende een belangrijke omslag in Calders werk. De bijbehorende publicatie wordt verzorgd door Wietse Coppes, Doede Hardeman, Hans Janssen en Caroline Roodenburg. Meer info: lees hier.
Vast ter voorbereiding: de AVRO Close Up-documentaire Alexander Calder: Sculptor of Air.
N.B.: Bovenstaande foto is afkomstig van de website van de Calder Foundation.

Het Gein van Mondriaan

Doriann Kransberg, Gein, januari 1994. Collectie Stadsarchief Amsterdam
In 1994 organiseerde het Stadsarchief Amsterdam de tentoonstelling ‘Mondriaan aan de Amstel‘. Niet alleen werd daarmee voor het eerst Piet Mondriaans vroege periode zo uitgebreid in beeld gebracht, ook werd zijn Amsterdamse kunstenaarsnetwerk uitgediept wat verrassende nieuwe feiten opleverde. Aan het onderzoek werkten onder andere Mondriaanspecialist Robert Welsh (wiens archief ik inventariseerde en indexeerde voor het RKD) en kunsthistorica Marty Bax mee. Hoewel ik de tentoonstelling zelf niet gezien heb – ik was immers 9 jaar oud op dat moment – maak ik nog regelmatig gebruik van de bijbehorende publicatie.
Fotograaf Doriann Kransberg maakte bij de tentoonstelling een serie foto’s van het Gein: het riviertje tussen Driemond en Abcoude waar Mondriaan rond 1900 meer dan regelmatig vertoefde om te werken. Alleen of in het gezelschap van kunstenaarsvrienden als Simon Maris. Hij schilderde er een rivierlandschap met boerderijen, molens en knotwilgen. Het Gein lag in zuidoostelijke richting en was in een uur of wat te bereiken. Mondriaan maakte de tocht per fiets, weten we van een schetsje dat Maris eens van hem maakte. Het toont de kunstenaar al werkend op de fiets met het Geinlandschap op de achtergrond.
De foto’s van Kransberg, zoals bovenstaande, zijn tegenwoordig ook via de beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam te bekijken.
Bron: Robert Welsh, Boudewijn Bakker, Marty Bax, 1892-1912: Mondriaan aan de Amstel, Amsterdam (Gemeentearchief) 1994.

Schedels en Speelgoed in het werk van Raoul Hynckes

Raoul Hynckes, illustratie bij het versje 'De Merel' in: Margot Vos, Meiregen, een bundel kinderverzen, Amsterdam 1925.
Bij het werk van Raoul Hynckes (1893-1973) denkt men over het algemeen aan schedels, kadavers en donkere stillevens in aardetinten, allen uitgevoerd met de technische perfectie van een oude meester. Zijn vanitas-stillevens lijken de onheilspellende sfeer van het interbellum uit te ademen, maar zijn ook uitingen van de obsessie die de schilder had met dood en verval.
Maar Hynckes was een veelzijdig kunstenaar. Vooral in zijn grafische werk zien we veel kleur en strakke lijnen. Hynckes maakte voor zijn neefjes en nichtjes een fantastische houten boerderij en tekeningen van speelgoeddieren. En hij illustreerde bijvoorbeeld het boekje Meiregen, een bundel kinderverzen, waarvan bovenstaande afbeelding een voorbeeld is.
Het werk van Raoul Hynckes wordt vanaf vandaag getoond in ‘Ruimte voor Realiteit’;de vaste collectiepresentatie van het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem (MMKA). Tezamen met werk van andere realisten als Charley Toorop, Wim Schuhmacher, Jan Mankes, Marlene Dumas en Klaas Gubbels. Op grote wandvullende depotrekken verspreid over twee verdiepingen worden daar meer dan honderd werken in chronologische volgorde van 1900 tot nu getoond.
Ik schreef teksten voor de tentoonstelling en de bijbehorende publicatie (nog te verschijnen). Neem voor meer informatie een kijkje op de website.

Gust van de Wall Perné. Nieuwe Kunst rond 1900

Ex libris ‘Gust van de Wall Perné’, z.j. Collectie CODA.
In de kunstgeschiedenis van het vroege Nederlandse modernisme staan kunstenaars als Jan Toorop, Piet Mondriaan en Jan Sluijters volop in de aandacht. De verandering die zij stuk voor stuk aanbrachten in de bestaande kunsttraditie is uitgebreid onderzocht. Kunstenaars met minder grote naam, maar vaak met gelijke idealen en evenveel liefde voor het vak, worden daarbij dikwijls vergeten. De komende maanden is in CODA Museum Apeldoorn een tentoonstelling te zien van één van die kleine kunstenaars: Gust van de Wall Perné (Apeldoorn 1877-1911 Amsterdam). Zijn werk is, mede door zijn vroege dood, grotendeels vergeten. Toch heeft Van de Wall Perné behoorlijk wat bereikt in zijn korte kunstenaarsbestaan.
Gust van de Wall Perné is van jongs af aan verknocht aan de Veluwe. Ook wanneer hij als kunstenaar carrière maakt in Amsterdam, keert hij elke zomer terug naar Hoog Soeren, waar hij zijn eigen atelierwoning heeft gebouwd. Hij schildert er de bossen en de hei en verzamelt oude volksverhalen die hij optekent in de bundels Veluwsche Sagen.

Het oeuvre dat Van de Wall Perné in slechts tien jaar samenstelt is bijzonder groot. Het bestaat uit gebatikte boekbanden in Art Nouveau-stijl, symbolistisch getinte schilderijen, sprookjesachtige illustraties, meubels in de stijl van Arts and Crafts, reformkledij voor vrouwen, gobelins met sagen en allerlei grafiek zoals affiches en ex libris. Hij geeft les in Kostuumkunde aan de Toneelschool en aan de Vakschool voor Kleermaaksters. Tegelijkertijd is hij bijzonder actief in diverse kunstenaarskringen. In dialoog met bevriende kunstenaars, onder wie Piet Mondriaan, ontwikkelt Van de Wall Perné voor die tijd moderne kunstopvattingen. Volgens hem moet de kunst abstracter worden om meer betekenis te krijgen. Zijn eigen werk is ook volop in ontwikkeling. Met zijn plotselinge dood komt daar echter een abrupt eind aan. Vrij snel daarna raken kunstenaar en werk in vergetelheid. Kunsthistorisch onderzoek werpt nieuw licht op leven en werk van Van de Wall Perné.
Het is deze winter precies honderd jaar geleden dan Gust van de Wall Perné overleed. Reden genoeg om deze bijzondere kunstenaar te herdenken met een overzichtstentoonstelling en publicatie. Beide zijn samengesteld door kunsthistoricus (en Rond1900-auteur) Annemiek Rens. Van 5 november 2011 tot en met 26 februari 2012 kunt u het geheel gaan bewonderen in Apeldoorn.

Het boek (hardcover, €12,95, ISBN: 9789461907127) is te koop bij de museumwinkel van CODA, enkele boekhandels, en online te bestellen via: pr@coda-apeldoorn.nl o.v.v. naam, adres en aantal exemplaren.

Meer informatie op de website van CODA en op de blog over Gust.

De 2300 foto’s van Breitner

De enorme hoeveelheid foto’s die kunstenaar George Hendrik Breitner (1857-1923) rond 1900 maakt, dienen vaak als voorstudie voor zijn schilderijen en grafiek. Toch zijn de beelden stuk voor stuk kunstwerken op zich. De schetsmatigheid, plotselinge afsnijdingen en spontane composities geven de foto’s iets dynamisch en hebben vaak een dromerige sfeer. Daarbij geven ze een ongeëvenaard beeld van de Amsterdam en haar bewoners rond de eeuwwisseling.
Waar de meeste stadsfotografie ons lege en statische straten laat zien, wordt in Breitners stad volop geleefd en gebouwd aan een nieuwe eeuw. Het beeld is niet geënsceneerd maar onvervalst en nooit saai. Dat George Hendrik Breitner fotografeert, is tijdens zijn leven slechts in kleine kring bekend. Het is in die tijd dan ook nog taboe om als kunstenaar een foto als basis voor een schilderij te nemen. Toch wordt het ook gedaan door andere meesters als Manet, Degas en Toulouse-Lautrec. Hun werken vertonen vaak een zekere mate van ‘fotografisch realisme’ door de vreemde afsnijdingen en composities. Wat Breitners foto’s en negatieven betreft gaat het opmerkelijke verhaal dat de kunstenaar ze in een wasmand bewaarde, waardoor een groot aantal exemplaren al in eigen tijd beschadigd is geraakt.[1]
Het RKD (Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie) in Den Haag werkt aan een grootschalige ontsluiting van de ruim 2300 Breitnerfoto’s uit haar collectie. De verzameling is sinds 1961 bij het RKD en afkomstig uit de nalatenschap van Joop Siedenburg, mede-eigenaar van de Amsterdamse kunsthandel Buffa die Breitner vertegenwoordigde. De fotocollectie zal vanaf november online gepresenteerd worden en is volledig doorzoekbaar op onder andere afgebeelde plaats. De digitale collectiepresentatie wordt vergezeld door een aantal tentoonstellingen van internationale allure: vanaf 14 oktober kan men in het Van Gogh Museum naar: Snapshot. Schilders en fotografie 1888-1915, vervolgens ook nog te zien in The Philips Collection (Washington D.C.) en het Indianapolis Museum of Art. Bovendien is vanaf november in het Institut Néerlandais te Parijs de tentoonstelling George Hendrik Breitner – Pionier van de Straatfotografie te bewonderen. Ga dat zien!
[1] Zie voor meer informatie over de fotocollectie het leuke artikel: Hans Roosenboom, ‘De wasmand van Breitner’, RKD Bulletin (1997) 3, pp. 11-19.
Afbeelding: G.H. Breitner, Passante op de Prinsengracht te Amsterdam, z.j. (1889-1915). Moderne afdruk van een negatief. Collectie RKD Den Haag, kunstwerknummer 208482.
Dit artikel werd gepubliceerd op Rond1900.nl (21 september 2011).

Portret van een modern meester

Piet Mondriaan in zijn atelier aan het Rembrandtplein 10 te Amsterdam, 1905-begin 1906 (fotograaf onbekend). Foto collectie RKD Den Haag.
Bovenstaande atelierfoto toont Piet Mondriaan ongeveer een jaar voor Lurasco’s publicatie. Hij woont dan op de zolder van kunstenaarsvereniging Sint Lucas, waarvan hij bestuurslid is. Zijn ruime atelier bestaat uit een woon- en werkgedeelte. De muren zijn witgeschilderd, ongebruikelijk voor die tijd en misschien wel een voorbode voor Mondriaans latere Parijse ateliers. Dat Mondriaan deze foto’s (er is er nog één van het woongedeelte) van zijn atelier laat maken, vertelt ons over de zelfverzekerdheid waarmee de schilder in het vak staat. Hij presenteert zich als een geslaagde en serieuze kunstenaar, poserend in zijn nette pak met palet in de hand en zittend voor een schildersezel.[2] Zijn schilderijen zijn in die tijd nog figuratief en bestaan voornamelijk uit portretten en landschappen. De kunstenaar heeft nog een lange weg te gaan om tot de abstracte composities te komen die hem zo wereldberoemd zouden maken.
Onderzoek naar Mondriaan
Vandaag de dag is Piet Mondriaan een welhaast mythische figuur in de kunstwereld en wordt gezien als één van de belangrijkste pijlers van de moderne kunstgeschiedenis. Zijn persoon is en blijft fascinerend door de mythevorming bestaande uit herinneringen van tijdgenoten, waarin hij als kluizenaar en rechtlijnige man of juist als feestbeest en vrouwenliefhebber wordt bestempeld. We zullen het vooral met ooggetuigenverslagen en speculaties moeten doen, want Mondriaan bewaarde zijn eigen correspondentie niet en hield, voor zover bekend, ook geen dagboek bij. De gegevens die we ter beschikking hebben, waaronder veel door Mondriaan geschreven brieven, bieden echter een schat aan informatie en bevinden zich onder andere in archieven van tijdgenoten als Theo van Doesburg, Bart van der Leck, César Domela en van latere Mondriaan-onderzoekers als Hans Jaffé, Robert Welsh en Herbert Henkels. Alle hierboven opgesomde archieven bevinden zich bij het RKD (Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie) in Den Haag.
Al vanaf de jaren zeventig tracht het RKD de overgebleven archieven en documentatie van Piet Mondriaan en de kunstenaars van De Stijl bij elkaar te brengen. In de collectie bevindt zich, naast de reeds genoemde archieven, inmiddels ruim de helft van alle originele correspondentie van Mondriaan. Ook is er een groot aantal bijzondere kunstenaarsportretten en atelierfoto’s van Mondriaan en tijdgenoten aanwezig. Met deze collectie is het voor kunsthistorici mogelijk op één plek intensief onderzoek te verrichten naar leven en werk van Piet Mondriaan en de overige kunstenaars van De Stijl.
Momenteel worden er twee fundamentele verzamelingen met Mondriaan archief en documentatie aan het RKD aangeboden. Ze vormen enkele van de ‘laatste bouwstenen’ voor deze belangrijke collectie die zoveel aandacht krijgt in binnen- en buitenland. Het RKD vraagt iedereen die dit belang ook onderschrijft om extra steun via een financiële gift om de aanschaf mogelijk te maken.
Meer informatie:
Noten:
[1] Lurasco, p. 10. N.B. Dit boekje diende ter inspiratie voor de titel van dit blog.
[2] Welsh e.a., pp. 49-51. Een interessant artikel over Mondriaans zelfbeeld als kunstenaar is: Wietse Coppes, ‘ Photographies, Reproductions et Portraits: l’image que Mondrian veut donner de lui-meme’: in Mondrian, Parijs (Centre Pompidou) 2010.
Meer informatie in het algemeen over kunstenaars die zichzelf presenteren via hun ateliers is te vinden in: Mayken Jonkman en Eva Geudeker (red.), Mythen van het atelier, Werkplaats en schilderpraktijk van de negentiende-eeuwse Nederlandse kunstenaar, Zwolle/Den Haag (RKD) 2010.
Literatuur:
F.M. Lurasco, Onze moderne meesters, Amsterdam 1907.
Robert Welsh, Boudewijn Bakker en Marty Bax, Mondriaan aan de Amstel, 1892-1912. Amsterdam (Gemeentearchief) 1994.

Kunstnijverheidswinkel Arts and Crafts

Cornelis van der Sluys, Affiche Arts and Crafts Den Haag, 1902. Collectie Gemeentearchief Den Haag.
Rond 1900 openen enkele designwinkels in Nederland hun deuren. Ze hebben zich laten inspireren door de kunsthandel L’Art Nouveau van Siegfried Bing te Parijs, de naamgever van de kunststroming. Vanaf oktober is er in het Haags Gemeentemuseum een tentoonstelling over één van deze kunstnijverheidzaken te zien: ‘t Binnenhuis dat in 1900 wordt opgericht aan het Rokin te Amsterdam met H.P. Berlage en Jac. van den Bosch aan het roer. Twee jaar later is de officiële opening van Binnenhuis ‘Die Haege’ met een soortgelijke opzet. In 1898 is echter in Den Haag al winkel en galerie Arts and Crafts opgericht. Op de laatste wordt hier verder ingegaan.
“Eene geheel met batiks gedecoreerde kamer, gebatikte gordijnen, portières, kussens, pianokleeden enz., kan niet anders dan zelfs het meest verwende aesthetische voelen bevredigen, en wij twijfelen niet of ons kunstminnend publiek zal zijne salons en boudoirs willen versieren met de producten dezer in Holland herboren kunst.”[1] Het Nederlandse welgestelde publiek van de nieuwe twintigste eeuw wil een totaalinrichting van haar huis in de nieuwe stijl van de Art Nouveau en de bijbehorende batikkunst. Ze kunnen daarvoor terecht bij de Haagse kunsthandel Arts and Crafts, een firma die een geestverwantschap met de idealen van de gelijknamige Engelse nijverheidsbeweging heeft. De meubels en andere stukken zijn unica en worden met veel liefde voor het ambacht gemaakt. Verantwoordelijk voor de artistieke leiding is kunstenaar Johan Thorn Prikker (1868-1932). Hij specialiseert zich in de populaire Oosterse batiktechniek: een manier van stofbewerking overgewaaid uit Nederlands-Indië die zich uitermate goed leent voor het weergeven van grillige en sierlijke lijnen en florale motieven. Daarnaast ontwerpt hij meubels in de stijl van Belgisch kunstenaar Henry van de Velde met als kenmerk een ingetogen sierlijkheid. Van de Velde levert op zijn verzoek ook enkele stukken voor de verkoop. De zakelijke leiding is in handen van Johan Th. Uiterwijk, maar de winkel is een initiatief van Chris Wegerif die de boel eveneens financiert.
Aannemer en architect Chris Wegerif (1859-1920) en zijn vrouw Agathe Wegerif-Gravestein (1867-1944) interesseren zich voor de nieuwe richtingen in de kunst en nijverheid en hun Apeldoornse huis dient als broedplaats voor allerlei kunstenaars. Hun betrokkenheid bij Arts and Crafts is groot van begin tot eind en bestaat onder andere uit het opzetten van twee ateliers in Apeldoorn waar meubels en batiks uitgevoerd worden. Één van de kunstenaars die naast Thorn Prikker voor ze ontwerpt is Gust van de Wall Perné, eveneens uit Apeldoorn afkomstig. Maar ook Chris Lebeau, Cornelis van der Sluys en Wegerif zelf zijn verantwoordelijk voor de vormgeving van de producten die in Den Haag verkocht worden. Interessant is dat op initiatief van Wegerif ook schilderijen van Vincent van Gogh in de kunsthandel verkocht worden, op een moment dat de waardering voor de bekende schilder nog beperkt is. Chris Wegerif hangt er zelf één op in zijn werkkamer: “die man heet Van Gogh” vertelt hij zijn gezin. Een Haagse advocaat die enkele jaren later van Wegerif als dank een ‘Vincent van Gogh’ cadeau krijgt, ruilt hem echter een maand later alweer om voor een Mesdag waarvoor hij bovendien nog moet bijbetalen…[2]In 1901 neemt Wegerif het roer over van Thorn Prikker die het niet eens is met de beslissing de succesvolle producten op een grotere schaal te gaan produceren. Waar Thorn Prikkers keuze uitging naar de abstract-golvende lijnvoering van de Belgische en Franse Art Nouveau, haalt Wegerif inspiratie bij het moderne Engelse, Schotse en Duits-Oostenrijkse ontwerp. Zijn meubels kenmerken zich door meer eenvoud in lijnvoering en een strakkere vormgeving. Beide uitgangspunten krijgen ondanks hun succes ook kritiek binnen Nederlandse vakkringen die de producten ‘on-Hollands’ vinden en een ideologie achter de verkoop missen. Het is volgens hen een “Handel die enkel aan het broodje te denken heeft [..] en daarom met een oppervlakkig-modieuze vormgeving […] de menigte van de concurrenten weg moet lokken.”[3] Het buitenland is echter wel enthousiast en vooral vanuit Duitsland krijgt men lof. Dat mag echter niet baten want door zakelijk wanbeleid van Uiterwijk is de firma in 1904 niet meer te redden en gaat failliet. Concurrent ’t Binnenhuis heeft een langer leven: Berlage en kornuiten gaan nog door tot 1929.Meer informatie over de tentoonstelling ‘Rechte stoelen, rechtschapen burgers: wonen volgens ’t Binnenhuis (1900-1920)’ in het Gemeentemuseum te Den Haag dit najaar:http://www.gemeentemuseum.nl/index.php?id=036972

Noten:
[1] Heiser e.a., p. 72. Geciteerd uit: Heuvelman, p. 230.
[2] De Wit, p. 81.
[3] Groot, p. 45. Citaat van Leo Simons, ‘Een dokument van Duitsche opdirkings-kunst’, Onze Kunst 1 (1902) eerste halfjaar, pp. 52-53.

Bronnen:
G. Heuvelman, ‘Batikken. Een nieuwe tak van kunstnijverheid in Nederland’, Eigen Haard (1900), pp. 230-240.
C. de Wit, Chris en Agathe Wegerif: Dragers van de Nieuwe Kunst in Apeldoorn, Apeldoorn 1994.
Titus M. Eliëns, Marjan Groot en Frans Leidelmeijer, Kunstnijverheid in Nederland 1880-1940, Bussum 1996, p. 206.
Marjan Groot, ‘Een dilemma voor de Nieuwe Kunst; Modern eclecticisme in de meubelkunst van Chris Wegerif voor de firma Arts and Crafts, 1901-1906’, Jong Holland 14 (1998), pp. 36-51.
Timo de Rijk, Designers in Nederland: Een eeuw productvormgeving, Amsterdam 2004, pp. 28-29.
Christiane Heiser, Mienke Simon Thomas, Barbara Til e.a., Johan Thorn Prikker, De Jugendstil voorbij, Rotterdam (Museum Boijmans van Beuningen) 2010, pp. 64-84.

Dit artikel werd gepubliceerd op Rond1900.nl [24 augustus 2011].

Ex Libris F.W. Craandijk

Dit ex libris van Gust van de Wall Perné (1877-1911) verwijst letterlijk naar de naam van de opdrachtgever F.W. Craandijk. De vormgeving kenmerkt zich door eenvoud en is speels doordat ‘Craan’ (afgebeeld als kraanvogel) en ‘Dijk’ in woord en in beeld met elkaar verbonden worden.

Over Frederik Willem Craandijk (1862-1934) is niet veel bekend, maar uit de informatie die ik zo één-twee-drie kan vinden, kan worden opgemaakt dat hij schrijver was van historische boeken. Die zijn uitgegeven bij onder andere J.H. de Bussy, waar onze Gustaaf enkele jaren werkte. Ook was hij natuurliefhebber en hield zich bezig met het opzetten van een streekmuseum voor natuurlijke historie in het Twentse Denekamp. Maar het belangrijkste gegeven is natuurlijk dat hij de zoon is van Jacobus Craandijk (1834-1912): de predikant die natuurwandelingen door heel Nederland maakte en daarover publiceerde. Boekjes die Van de Wall Perné vast en zeker geinspireerd hebben bij zijn Veluwsche Sagen.

Stil Leven

Matthijs Röling, Winter, 1975-1976. Olieverf op doek, 90,5 x 80,5 cm. Collectie ING

Het was puur toeval dat ik jaren geleden bij kunstenaar Matthijs Röling op een verjaardagsfeestje belandde. Ik had vóór ons bezoek een boek over zijn werk opengeslagen. De rariteitenkabinetten die ik geschilderd zag werden driedimensionaal aldaar. Huis en tuin waren gevuld met de meest mooie en merkwaardige objecten die samen een sprookjesachtig geheel vormden. In deze bijzondere omgeving in een klein dorpje in Groningen vindt de kunstenaar sinds lange tijd rust en inspiratie.

Matthijs Röling (1943) heeft zich in zijn kunst nooit laten leiden door de heersende moderne stromingen en opvattingen. Hij verkiest de figuratie boven het abstracte en conceptuele. Zijn inspiratie vindt hij verder terug in de tijd: het zijn de klassieke thema’s die hem grijpen. Röling wordt ook wel ‘de jongste van de oude meesters’ genoemd: “Ik voel klassieke onderwerpen als een uitdaging; om daar nog iets nieuws aan toe te voegen.”[i]
Zijn stillevens, portretten en mythische voorstellingen kenmerken zich door harmonie. Een overdachte, maar spontaan ogende compositie van verschillende elementen is het middel. Over alles hangt een zweem van poëzie en intimiteit.
Allegorieën van het alledaagse
Zijn eerste grote succes behaalde Matthijs Röling met een serie ‘kastjes’: met fijne penselen geschilderde stillevens van alledaagse en curieuze voorwerpen die de kunstenaar in een houten kabinetje plaatste. Ze doen denken aan vijftiende- en zestiende-eeuwse Kunst und Wunderkammers en Italiaanse Studioli, vol rariteiten en trompe-l’oeil. De objecten zijn met fijne penselen geschilderd en kennen grote aandacht voor kleur, lichtval en stofuitdrukking.  Heel duidelijk komt Rölings liefde voor de Italianen en het picturaal realisme naar voren.
Het kastje Winter uit de serie Vier Jaargetijden met zijn koele, ijsblauwe kleuren staat vol objecten verwijzend naar het seizoen. De voorwerpen hebben veelal een allegorische waarde. De schedel verwijst naar het klassieke ‘Memento Mori’-principe, en de vergankelijkheid van het leven komt eveneens naar voren in de verwelkte, gedroogde zonnebloem. In de weerspiegeling van de glazen bol zien we Röling zelf achter zijn ezel en daarmee geeft hij het werk een persoonlijke lading. Onderaan prijkt het gedicht ‘Vereinsamt’ van Nietzsche dat gaat over verlorenheid en het gemis van een thuis. Een houten pop bungelend aan een enkele spijker trekt de aandacht naar een geschreven gedachtegang van Röling die eenzelfde sfeer oproept. “Het is winter, wat een rottijd. Het is koud en steeds maar denken, was het maar lente, zou ik willen dansen” luidt het begin. De objecten in het kastje worden symbolen van het gevoelsleven van de kunstenaar. Binnen de conceptuele stromingen van de jaren zeventig volgt Röling zijn eigen weg. De kunst van dat moment is voor hem als een tijd van verval en hij smacht naar een nieuwe tijd waarin hij weer wil geloven.
Vandaag de dag vindt Matthijs Röling als boegbeeld van het Noordelijk Relalisme overal bewondering; zijn serie ‘kastjes’ is daarvoor medeverantwoordelijk. Dit jaar heeft de kunstenaar de titel Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw gekregen. Zijn werk is onder andere te bewonderen in de aula van het Academiegebouw van de Rijksuniversiteit Groningen waar hij de muurschildering ‘De boom der kennis’ maakte (op initiatief van prof.dr. Henk van Os) en maakt deel uit van de collectie van het Drents Museum in Assen en van het voormalige Scheringa Museum voor Realisme.
Literatuur:
H.R. Tupan (red.), Matthijs Röling, Mimesis, tent.cat. Assen (Drents Museum) en Spanbroek (Frisia Museum) 2005.
[i] Tupan, p. 64.

Logeren bij Rik en Jet op de Buissche Hei

Het atelier van Richard Roland Holst op de Buissche Heide, gebouwd door Margaret Staal-Kropholler. Op de foto is onder andere kunstenares Ali Goubitz te zien, die tijdens de Tweede Wereldoorlog op de Buissche Hei verbleef. Het Boek van de Buissche Heide 1943, p.111.
Wie behoorde tot de vrienden- of kennissenkring van Richard en Henriette Roland Holst mocht zich gelukkig prijzen. Bij de vriendschap hoorde een leuk extraatje: de zomers in het buitenverblijf op de Oude Buissche Hei nabij Zundert en Achtmaal.
In de bossen aldaar hielden de Roland Holsts retraite maar tegelijkertijd open huis, waardoor de helft van kunstzinnig, literair en politiek Nederland in augustus voor een paar dagen of langer naar het landgoed ten zuiden van Breda afreisde. Allen schreven hun naam in het gastenboek. Om maar een paar bezoekers te noemen: Herman Gorter, H.P. Berlage, Theo van Hoytema, Jan Veth, Johan Huizinga, Jef Last, Charley Toorop, Arthur van Schendel en natuurlijk neef Jany (Adriaan Roland Holst). Het landgoed wordt in 1945 door schrijfster en politica Henriette Roland Holst-van der Schalk (1869-1952) aan Natuurmonumenten overgedragen. Zij zal er echter tot in het laatste jaar van haar leven genieten van de rust en bosrijke omgeving.
Het onlangs door een aangestoken brand volledig verwoeste atelier van Richard Roland Holst (1868-1938) zal gelukkig weer opgebouwd worden. Het gebouwtje is één van de prachtigste voorbeelden van de Amsterdamse School-architectuur en werd in 1919 gebouwd door Nederlands eerste vrouwelijke architect Margaret Staal-Kropholler (1891-1966). Het gebouw moest een toevluchtsoord worden waar Rik ongestoord aan zijn opdrachten kon werken. Dat hij tevreden was blijkt wel uit woorden in een brief naar Jany: ‘Ik zit vandaag voor ’t eerst op mijn atelier, je hebt geen idee hoe lief ’t is, ’t kamertje op ’t zuiden met ’t mooie verre uitzicht is een ideaal kajuit van een schip dat toevallig op een prachtige plek vastgemeerd is, het groote geheel witte atelier dat vrij leeg is doet denken aan een mooie consistoriekamer. Je oompje zit er fijn, en ik ben zedelijk verplicht om er minstens nog 20 jaar actief en vruchtbaar te werken.”[1]
Riks atelier zal opnieuw als toevluchtsoord voor kunstenaars gaan dienen. Het interieur wordt historisch verantwoord ingericht met het doel er kunstenaars in te huisvesten. Die moeten op hun beurt dan wel een gedicht, schilderij of ander kunstwerk dat ze maakten op het landgoed achterlaten. In het voorjaar van 2012 organiseert het Vincent van GoghHuis in Zundert bovendien een tentoonstelling over Richard en Henriette Roland Holst en hun landgoed de Buissche Heide als ontmoetingsplaats. Bij de expositie zal een omvangrijk boek verschijnen waarin ik het netwerk van gasten in kaart breng in een groot aantal biografieën. Over de tentoonstelling en de publicatie binnenkort meer.
Noten en literatuur:
[1] A. Roland Holst, Briefwisseling met Richard en Henriëtte Roland Holst, Amsterdam 1990, p. 145. Brief van RRH aan ARH, 16 juli 1917.
Zie ook over het restauratieproject en de opvolgende brand:
Dit is een aangepaste versie van een artikel dat eerder verscheen op www.rond1900.nl [27 januari 2011]

Bezielde dorpen van Roland Holst en Fernhout

“Eerst waren het meerendeels de schilders, die hun baard dan lieten staan, en er, door hun ezel begeleid, op uittrokken om hier of daar een brokje natuur te verschalken. Weldra kwamen er ook wel dichters, die zich zoo gaarne minder ezelachtig wanen, en die, om zich in dien waan te versterken met verwarde gedachtenwisselingen – waaruit zelden meer restte dan een aschbak vol peuken – maar al te zeer geneigd bleken, die grootsche natuur te verheerlijken in de kleine dorpskroeg.
Toch was dit alles niet zonder een dieper zin, want kunstenaars zijn nu eenmaal de veelal ietwat malle dragers van het beste, waartoe het menschelijk wezen als gemeenschap bij machte is: de verlossing uit den tijd in de ruimte.”[1]

Adriaan Roland Holst schrijft in 1957 ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van Kunstenaars Centrum Bergen het essay ‘Bezielde Dorpen’ waarin hij enkele herinneringen en gedachten over het fenomeen kunstenaarsdorp beschrijft. Roland Holst woonde zelf jarenlang in het Gooi waar hij omging met Piet Mondriaan, Martinus Nijhoff en natuurlijk met zijn oom Rik en tante Jet die er een door Berlage gebouwde villa bewoonden. Ook zat hij een tijd in het zonnige Ascona, Cagnes en Positano. Maar: “In mijn hart heeft Bergen het, en voorgoed, gewonnen.”[2] Daar woonde eveneens zijn goede vriendin, en vroegere lief, Charley Toorop. Na haar overlijden betrok zoon Edgar Fernhout haar atelierwoning ‘De Vlerken’ en ook hij was onder de bekoring van het Bergense. De twee prachtige illustraties die Fernhout voor ‘Bezielde Dorpen’ maakte getuigen daarvan.

[1] Roland Holst, p. 8.
[2] Idem, p. 13.

Bron: Adriaan Roland Holst, Edgar Fernhout (illustraties), Bezielde Dorpen, Den Haag 1957.

Waterkindertjes

“Soms kwam hij op een stille, diepe plek, en daar zag hij de waterbosschen.” (pag. 72)

 

Gust van de Wall Perné ontwerpt in 1905 de omslag en illustraties voor De waterkindertjes, sprookje voor een landkind: een Nederlandse bewerking door Martha van Eeden- van Vloten van het populaire Engelse kinderboek van Charles Kingsley. Van de Wall Perné’s tekeningen van de onderwaterwereld tonen zijn grote liefde voor de geheimen van de natuur en zijn een mooi voorbeeld van zijn illustratiekunst.

The Waterbabies verschijnt aanvankelijk als serie in Macmillan’s Magazine (1862-1863) en is zó geliefd dat het al snel in boekvorm wordt uitgegeven. Tot in de jaren twintig van de twintigste eeuw behoort het zelfs tot de meest gangbare kinderliteratuur in Engeland.Het verhaal van De waterkindertjes kenmerkt zich door de didactische moraal die centraal staat. Het landkind Tom wordt voor zijn wandaden gestraft en verandert in een waterkind. Door allerlei opdrachten te vervullen moet hij bewijzen zijn les geleerd te hebben alvorens hij zijn menselijke vorm weer terugkrijgt en verenigd kan worden met zijn upperclass-vriendinnetje Ellie. Kingsley vestigt in zijn boek de aandacht op het probleem van de grootschalige kinderarbeid van zijn tijd (de hoofdpersoon is een jong schoorsteenvegertje) maar tegelijkertijd speelt ook het thema van de Christelijke verlossing een grote rol. Daarnaast is in het verhaal indirect de invloed van de destijds nieuwe evolutietheorie van Charles Darwin zichtbaar. Kingsley’s bestseller is een kinderboek dat de heersende discussies en problematiek van zijn tijd weerspiegelt. Door de vele Victoriaanse vooroordelen in het boek over Joden, zwarten, Amerikanen en Katholieken, raakt het boek echter in de loop van de twintigste eeuw zijn succes kwijt. De afgelopen jaren is er in Engeland nieuwe aandacht voor het verhaal door een radioserie van de BBC in 1998 en een toneelstuk uit 2003.
Bronnen:
– Charles Kingsley (Nederlandse bewerking door M. van Eeden-van Vloten en met illustraties van Gust van de Wall Perné),De waterkindertjes, sprookje voor een landkind, Amsterdam 1905.
N.B.: Er is eveneens een uitgave met tekeningen van Bernardina Midderigh Bokhorst.

Portret van Pétro

Portret van Nelly van Doesburg (artiestennaam Pétro) gemaakt door avant-garde fotografe Florence Henri (1893-1982) in 1928. Henri fotografeert op dat moment pas een jaar. Ze schildert eerst, maar tijdens een verblijf aan het Bauhaus raakt ze geïnspireerd door de foto’s van Lásló Moholy-Nagy en zijn vrouw Lucia. Ze zou zich ontwikkelen tot één van de belangrijkste portretfotografen van haar tijd.
Deze site bevat talloze prachtige foto’s uit het begin van de twintigste eeuw.

De foto’s van André Kertész

André Kertész, Portret van de schrijfster Colette, 1930, Gelatine zilverdruk vanaf glasnegatief. Collectie Médiathèque de l'Architecture et du Patrimoine, Paris
De Médiathèque de l’Architecture et du Patrimoine in Parijs bezit een prachtige collectie van de Hongaarse fotograaf André Kertész (1894-1985) die van 1925 tot 1936 in de Franse hoofdstad verbleef en er de mooiste plaatjes schoot van de stad en haar inwonersKertész bevond zich in de artistieke kringen van het moment en maakte portretten en atelierfoto’s van kunstenaars als Piet Mondrian, Alexander Calder, Marc Chagall, filmmaker Sergei Eistenstein en schrijfster Colette.
Afbeelding:
Sidonie-Gabrielle Colette (1873-1954) zittende aan haar bureau in gezelschap van een slapend katje. Ze was op dat moment zo’n 57 jaar oud en een bekende persoonlijkheid in het Franse leven. Haar vele huwelijken en affaires (o.a. met een vrouw) en variété-leven in Moulin Rouge baarden evenveel opzien als haar erotische romans die stuk voor stuk bestsellers werden.

Dijkwerkers, Zeeuwse boeren en een verdronken eiland

Tekening die Cees Bantzinger maakt bij de drooglegging van Walcheren. Collectie Boskalis

In oktober 1945 komt kunstenaar Cees Bantzinger (1914-1985) aan op Walcheren waar hem een belangrijke taak wacht. In tekeningen en aquarellen zal hij de droogmaking van het Zeeuwse eiland gaan vastleggen.  Een jaar eerder hebben de geallieerden het onder water laten lopen om een barricade op te werpen voor de Duitse bezetter die zo de haven van Antwerpen niet kan bereiken. “De strijd tegen de Duitschers was na negen dagen voorbij; maar nu moest de strijd worden opgenomen tegen een vervaarlijker vijand: de zee. Het zou een vol jaar duren, eer de mensch zijn verbitterd gevecht tegen het water gewonnen had.”

[1] Het grootste werk moet dus nog beginnen, en met veel moeite moet men weer terugdraaien wat men zelf heeft veroorzaakt. Over dit helse karwei zal schrijver A. den Doolaard (pseudoniem van C. Spoelstra), die in februari 1945 als verbindingsofficier naar Walcheren afreist, de boeken Walcheren komt boven water en Het verjaagde waterschrijven. De hoofdpersonen zijn gebaseerd op de waterstaatsfunctionarissen en aannemers die leiding geven aan de sluiting van de dijken. Bantzinger maakt tekeningen voor de laatste roman en ook illustreert hij het boekje Dit is Walcheren, uitgegeven ten bate van de drooglegging en met artikelen van Den Doolaard, Jef Last en Ed. Hoornik.

Omslag van het boekje: Dit is Walcheren, Haarlem 1945 met artikelen van Jef Last, A. den Doolaard, Ed. Hoornik en tekeningen van Cees Bantzinger, ten bate van het herstel van Walcheren. Prijs: f.1,25

Cees Bantzinger maakt in totaal meer dan tweehonderd tekeningen van de dijkdichting: “Ruime tekeningen, een plas inkt, in even overvloedig water gewassen als waarmee het eiland overstroomd werd.”[2] Er ontstaan prachtige studies van het verzonken landschap van Walcheren, die troosteloosheid uitstralen maar tegelijkertijd ook de schoonheid van de machtige zee tonen. Men ziet de uitstekende daken van boerderijen die ondergelopen zijn en de geslagen gaten in de dijken op plaatsen als Rammekens en de Nolledijk. Bantzinger maakt daarnaast talloze portretten van boeren, grondwerkers en opzichters, rijswerkers, stortwerkers en krijgsgevangenen die het taaie en zware werk moeten doen. Enkele tekeningen van onverwoestbare Zeeuwse boeren en boerinnen bevinden zich in de collectie van het Singer Laren.[3] Het overgrote deel is echter in 1974 van de kunstenaar zelf aangekocht door baggerbedrijf Boskalis, vlak na een expositie van het werk in het Zeeuws Museum in Middelburg. Bij de drooglegging van Walcheren speelt aannemer Kobus Kalis, de oprichter van Boskalis, een belangrijke rol. Hij wordt in Het verjaagde water vertolkt in de persoon van Berend Bonkelaar en is ook enkele keren door Bantzinger getekend. Het totaal aan tekeningen en aquarellen dat Cees Bantzinger in Walcheren maakt vormt een bijzonder deel in zijn oeuvre dat verder o.a. bestaat uit vrouwenportretten, rechtbanktekeningen en illustraties voor tijdschriften als Vrij Nederland en Elsevier.

De Zinkbaas, dirigent van het zinkstuk, in Dit is Walcheren, p. 11.

Noten:
[1] Den Doolaard 1946, p. 6.
[2] De Volkskrant, 7 februari 1947.
[3] Linda Barendse, p. 73.

Literatuur:
Jef Last, A. den Doolaard, Ed. Hoornik en C.A.B. Bantzinger (illustraties), Dit is Walcheren, Haarlem 1945.
A. den Doolaard, Walcheren komt boven water, Amsterdam 1946.
De Volkskrant, 7 februari 1947.
A. den Doolaard en C.A.B. Bantzinger (illustraties), Het verjaagde water, Amsterdam 1948.
W.I.M. Weber, Catalogus van een collectie tekeningen en aquarellen over de “Droogmaking van Walcheren” in 1945 door C.A.B. “Bantzinger”, Vlissingen 2005.
A. Rens, Cees Bantzinger als journalistiek tekenaar, Universiteit Utrecht (bachelorscriptie) 2006.
Linda Barendse e.a., Collectie Singer, Tekeningen en prenten, Zwolle 2010, p. 73.

Het modernisme van Rie Cramer

Rie Cramer, illustratie in: Grijpt als ’t rijpt.

Marie (‘Rie’) Cramer (1887-1977) is één van Nederlands bekendste illustratrices en haar tekeningen in kinderboeken als Sprookjes van Moeder de Gans behoren tot het gezamenlijk beeldgeheugen van onze jeugdjaren. Al op negentienjarige leeftijd krijgt Cramer haar eerste illustratieopdracht van uitgever W. de Haan uit Utrecht en niet veel later volgen lessen van niemand minder dan Willem van Konijnenburg, Jan G. Veldheer en Theo van Hoytema. Ze verzorgt tijdens haar leven zo’n 120 boeken met illustraties en teksten en is het gezicht van het populaire kinderblad Zonneschijn. Haar boeken worden ook in het buitenland uitgegeven. Naast illustraties maakt Cramer ex libris, kinderbehang, keramiek, kostuums, modetekeningen voor tijdschrift De vrouw en haar Huis en schrijft ze toneelstukken en romans onder de pseudoniemen ‘Marc Holman’ en ‘Annie Smit’.Omstreeks 1915 brengt Rie Cramer haar zomers door in een woonwagen zonder wielen in Blaricum en maakt er deel uit van het artistieke milieu waar ook Piet Mondriaan en Jan Sluijters toe behoren. Ze schrijft erover in een aantal autobiografische schetsen met de titelFlitsen (1966). Tijdens de Tweede Wereldoorlog schrijft ze de poëziebundel Verzen van Verzet. Rie Cramer heeft relaties met kunstcriticus Albert Plasschaert, dichter-schrijver P. Otten en toneelspeler Eduard Verkade waarvan de laatste twee ook enige tijd haar echtgenoot zijn. De illustratrice kiest uiteindelijk voor haar vrijheid. Vele reizen naar het buitenland volgen (waarover ze schrijft in De Groene Amsterdammer) en ze woont lange tijd met vrienden in een huis op Mallorca.

De hierbij afgebeelde illustratie komt uit het boek Grijpt als ’t rijpt uit 1932 en is een voorbeeld van werk dat Rie Cramer maakt voor volwassenenliteratuur. De strakke lijnen en het scherpe contrast doen denken aan de Art Deco en laten de eerste stalenbuismeubelen van Metz & Co zien. Het boekje van kunsthistoricus Willem Vogelsang wordt uitgegeven door de Vereeniging van Handelaren in Oude Kunst en geeft advies hoe men zijn huis het best kan verfraaien. Er wordt een oproep gedaan juist niet met de mode mee te gaan, maar eerder antiek te kopen en je persoonlijke smaak te volgen. “Met inrichtingen kant en klaar uit de handel betrokken, komt Ge er niet” aldus professor Vogelsang. “Zelfs met kamers in den trant der moderne askese, waar het indirecte licht alleen blanke wanden en spichtige stalen meubelen beschijnt, is tenslotte niets persoonlijks te bereiken”. Cramers illustratie toont een modern echtpaar met de stoel Wassily, door Marcel Breuer ontworpen en in datzelfde jaar te koop bij Metz & Co.[1]
Het lijkt Rie Cramer echter om het even te zijn. In ieder geval lijkt deze prachtige tekening eerder reclame voor het moderne interieur dan een illustratie van Vogelsangs bedenkingen. Cramer is een vakvrouw en ontwerpt in deze periode net zo goed reclameplaten voor De Bijenkorf, dessins voor kinderbehang van de firma Rath & Doodeheefver en wandschilderingen voor winkels in Amsterdam als voor een boekje zoalsGrijpt als ‘t rijpt.
Noten:
 [1] Deze illustratie en de passages uit Grijpt als ’t rijpt worden beschreven in: De Bodt en Kapelle, p. 153.
In dit boek is eveneens een uitgebreide index op boektitel doorzoekbaar evenals een groot aantal biografieën van Nederlandse illustratoren.
Literatuur:
W. Vogelsang, Grijpt als ’t rijpt, Amsterdam (Vereeniging van Handelaren in Oude Kunst in Nederland) 1932.
Rie Cramer, Flitsen, ’s-Gravenhage 1966.
Saskia de Bodt, Jeroen Kapelle e.a., Prentenboeken, Ideologie en illustratie 1890-1950, Amsterdam/Gent (Ludion) 2003.

Gepubliceerd op: www.rond1900.nl [25 juni 2011]

De uitzonderlijkste zonderling van het Gooi: Schedelmeter Alfred Waldenburg

Annie Bruin, Portret van Alfred Waldenburg, de ‘schedelmeter’. De tekening wordt afgebeeld in Heyting, p. 172. (overige gegevens onbekend)

 

 

Het zou je maar overkomen. Als willekeurige wandelaar in Amsterdam op straat door een zonderling aangesproken worden die vraagt of hij je schedel op mag meten. De mensen in Laren en Blaricum keken er al niet meer van op. Zij waren bekend met de Duitse ‘schedelmeter’ en antropoloog Alfred Waldenburg (Berlijn 1873-1942 Laren) die er een hut bewoonde en bovendien zat het hele Gooi rond de eeuwwisseling van de twintigste eeuw vol met excentriekelingen.

Illustratrice Rie Cramer schrijft erover in haar memoires: “Ja, wij amuseerden ons kostelijk met die vreemde figuren in dit Hollands Ascona! Met de ‘schedelmeter’, altijd in ’t wit, met een aktentas onder zijn arm – voor zijn passers, denk ik – die bij alle mogelijke mensen vroeg hun schedel te mogen meten (wij zijn helaas nooit in aanmerking gekomen) en heel nauwkeurig en ernstig alle gegevens noteerde, – waarvoor weet ik niet.”[1] En Cramer was niet de enige die zich dat afvroeg: “Iedereen kende hem en niemand wist iets van hem” schrijft men in de necrologie die in Het Joodsche weekbladverscheen naar aanleiding van Waldenburgs overlijden in 1942. Men omschrijft hem als “een gebogen figuur, een interessant gezicht met doorborende oogen en zwarten baard; altijd een pakje onder zijn arm, ook als hij een parapluie droeg. Hij voerde in dat pakje zijn ‘meet-apparaat’ mee.”[2] Een portret van Annie Bruin toont de schedelkundige in al zijn eigenaardigheid.
Alfred Waldenburg mag dan wel het voorkomen en gedrag van een landloper hebben, toch kwam hij uit een familie van geleerden te Berlijn. Zijn vader was de uitvinder van een zuurstofapparaat en zijn oom de geneesheer-directeur van het eerste tbc-sanatorium te Davos. Ook aan moederszijde waren er geleerden en verschillende rabbijnen. Zoon Alfred Waldenburg promoveerde tot doctor in de geneeskunde op een proefschrift over de schedels van óf doofstommen en blinden óf Hallig-Friezen, daarover verschillen de bronnen.[3] Ook beschreef hij zijn bevindingen over de blondheid van Joden. Een nieuw onderzoek bracht hem voorgoed naar Nederland waar hij de Portugese Joden in Amsterdam, maar daarnaast tevens alle mogelijke voorbijgangers, aan zijn schedelmetingen wilde onderwerpen. Het ‘frenologisch’ onderzoek waar hij zeker veertig jaar mee bezig is geweest kreeg geen eindresultaat. Na zijn dood zijn vele grote stapels vellen met schedelmaten in zijn kluis gevonden.
Waldenburg kwam in 1909 naar Amsterdam en betrok in 1913 een hutje op de Blaricumse hei. Aangezien hij geen geld had voor de reis, trok hij meestal te voet naar Amsterdam. De nacht bracht hij dan vaak door in een telegraafkantoor in de stad waar hij de bedienden lastig viel met zijn proefschrift, waarvan hij altijd enkele exemplaren bij zich had om voor 40,50 gulden te verkopen. Als nachtbraker dreef hij de eveneens in Laren wonende dichter Victor E. van Vriesland ook vaak op hol. Van Vriesland vertelde over de nachten dat Waldenburg hem stoorde bij zijn werk (de dichter schreef ’s nachts) door aan te komen lopen. De schedelkundige was vervolgens niet meer weg te krijgen, hij zat dan onderuitgezakt in een leunstoel en vroeg om eten en drinken. Ook maakte hij gebruik van de wasgelegenheid van Van Vriesland en waste zich dan met het desinfectiemiddel Lysol, waardoor het huis nog dagenlang stonk.[4]
Met zijn vreemde voorkomen en zijn lijzige, vermoeiende stem was Alfred Waldenburg veelvuldig het mikpunt van grappenmakerij. Hij was een regelmatig bezoeker van Het Honk, de voorloper van kunstenaarssociëteit De Kring te Amsterdam: een plaats waar kunstenaarsvolk zich ophield. Toneelspeler Coen Hissink hield de schedelmeter eens goed voor de gek door zich, blijkbaar zeer overtuigend, te verkleden als de dichter J.K. Rensburg. Rensburg en Waldenburg hadden regelmatig ruzie en de verklede Hissink probeerde Waldenburg dan ook uit de tent te lokken met zijn imitatie. Dezelfde Hissink leidde de frenoloog eveneens een keer goed om de tuin, door een zogenaamd ‘nieuw meetinstrument’ te presenteren. Waldenburg trapte erin en liet zich letterlijk in de boeien slaan. De komiek vertrok met de sleutel en keerde pas na enkele uren terug om de arme man te bevrijden.[5]
Ook op latere leeftijd zag men Alfred Waldenburg, weliswaar gebogen en voetje voor voetje schuifelend, met het pakje onder zijn arm nog steeds door Laren wandelen. Een koude nacht niet stoken werd hem fataal, hij werd op 7 februari 1942 doodgevroren in zijn huisje aan de Tafelbergweg in Laren aangetroffen.
Alfred Waldenburg, Portret van Piet Mondriaan, 1909, Foto. Bron: http://www.pietmondrian.org/piet-mondrian.php
Naast de ooggetuigenverhalen die in dit stuk geciteerd worden, kennen we Waldenburg op de dag van vandaag vooral door de prachtige foto die hij van kunstenaar Piet Mondriaan maakte in 1909. Men ziet Mondriaan poserend voor Waldenburgs onderzoek waarbij de lengte van de handen iets zou zeggen over de bouw van de schedel.[6]
Noten:
[1] Cramer, p. 112.

[2] Het Joodsche weekblad.
[3] Zie enerzijds Het Joodsche weekblad en anderzijds Heyting, p.173.
[4] Van Vriesland, pp. 72-74.
[5] Dekker, pp. 117-128.
[6] Heyting, 173.
Literatuur:
‘Dr. A. Waldenburg †’, Het Vaderland: Staat- en letterkundig nieuwsblad, Den Haag 10 februari 1942.
‘Dr. A. Waldenburg overleden’, Het Joodsche weekblad, Amsterdam 13 februari 1942.
Maurtis Dekker, Amsterdam bij gaslicht, Utrecht/Antwerpen 1949.
Rie Cramer, Flitsen, Den Haag 1966.
V.E. van Vriesland, Herinneringen verteld aan Alfred Kossmann, Amsterdam 1969.
Lien Heyting, De wereld in een dorp: schilders, schrijvers en wereldverbeteraars in Laren en Blaricum 1880-1920 , Amsterdam 1994.
Gepubliceerd op: www.rond1900.nl [23 december 2010]

Het hondje van de rijken.

Guillaume Anne van der Brugghen, Portret van een Hondje, 1891, Olieverf op doek op paneel, 15,5 x 18 cm. Inv.nr. SK-A-2092 . Collectie Rijksmuseum Amsterdam

 

In een salon bij ’t warme haardvuur,

Ligt Fifi in zijn zijden mand;
Hij laat zich lekk’re hapjes voeren,
En streelen door een dameshand.
En om den hoek in ’t nauwe steegje,
Zit in een krot een weduwvrouw;
Bij d’ harde stroozak van haar kind’ren,
Schreiend ontwakend van de kou.

Refrein:

Het hondje van de rijken,
Dat leeft in overvloed,
Terwijl het kind der armen,
Zooveel ontberen moet.
Het hondje van de rijken,
Krijgt alles even fijn;
En menig kind der armen,
Zou zoo graag zo’n hondje zijn.
Als Fifi ’t vleesch niet malsch genoeg vindt,
Haalt hij den neus op en bromt kwaad;
Dan komt de dienstmeid die het eten,
Achter een boom werpt op de straat.
En is de dienstmeid weer naar binnen,
Komt ’t kindje, haveloos gekleed;
Dat smult ervan en Fifi ziet het;
En gromt voor het raam: Foei, wat ’n Proleet.
Als Fifi dood is liggen bloemen,
En mooie rozen op zijn mand;
Hij krijgt een eigen graf met ’n grafsteen,
Daar heeft hij recht op van zijn stand.
Als ’t kind der armen wordt begraven,
Daalt ’t ruwe kistj’ in ’t groote graf;
Snikkend zegt de moeder; lief’ling,
Een bloempje? Heusch ’t kon er niet af.[1]
——–
[1] Straatlied van E. Paoli uit het begin van de twintigste eeuw met vermelding: ‘op muziek 60 cent’. Een andere versie heeft bovenaan de tekst: “Mijnheer. Mevrouw. Leg dit s.v.p. niet ongelezen ter zijde.” en onderaan: “Uit nood gedreven kom ik u mijn lied aanbieden. Prijs wordt aan uw edelmoedigheid overgelaten. Hierop wordt door mij persoonlijk antwoord gehaald.”
Beide versies bevinden zich in de collectie straatliederen van het Meertens Instituut en de KB en zijn, evenals  portret van een hondje, ontsloten via de website Het Geheugen van Nederland.

Gepubliceerd op: www.rond1900.nl [13 maart 2011]

Een theaterdecor van H.Th. Wijdeveld

Hendricus Theodorus Wijdeveld (1885-1987), Decorontwerp voor ‘Iphigénie en Tauride’, Wagnervereniging, 1930. Potlood op transparant papier, 42,8 x 61 cm, Collectie Theater Instituut Nederland, Amsterdam.

Door zijn enorme verbeeldingskracht wordt Hendrikus Theodorus Wijdeveld (1885-1987), bijnaam ‘Dutchy’, ook wel omschreven als de grootse visionair uit de Nederlandse architectuurgeschiedenis en daarmee vergeleken met Frank Lloyd Wright en Le Corbusier. Wijdeveld ontwerpt bijvoorbeeld een twintig kilometer lange schacht naar het middelpunt van de aarde, een plan voor de volledige herbebossing van Nederland en een nieuwe stadswijk met volkstheater in het Amsterdamse Vondelpark. De wereld is een totaaltheater waar hij zijn dromen kan ensceneren wat zich uit in een visueel architectonisch spektakel in tegenstelling tot het beeldloze modernisme van zijn tijd.

H. Th. Wijdeveld combineert zijn werk als architect met vormgeving en beide disciplines beïnvloeden elkaar op een bijzondere manier. Zijn werkwijze past binnen die van de Amsterdamse school; Wijdeveld heeft het vak dan ook geleerd van architect P.J.H. Cuypers. Naast zijn rol als woordvoerder binnen deze richting, is Wijdeveld hoofdredacteur en typografisch verzorger van het tijdschrift Wendingen dat zich richt op nieuwe vormgeving en waarvan elke uitgave een klein kunstwerk op zich is. Andere activiteiten op het grafisch gebied zijn voor Wijdeveld het ontwerpen van boekbanden die gekenmerkt worden door de aandacht voor decoratie en vorm en waarbij leesbaarheid van ondergeschikt belang is. De invloed van de architectuur is hierbij direct aanwijsbaar.
Minder bekend is Wijdeveld als theatervormgever. Een mooi voorbeeld van zijn kunnen in dit discipline zijn de ontwerpen die hij in 1930 in opdracht van de Wagnervereniging maakt voor de opera Iphigénie en Tauride van componist Christoph Willibald von Gluck. Het klassieke drama geschreven door de Griek Euripides handelt over Iphigénie die als banneling ieder die voet aan wal zet op het eiland Tauris moet doden en gewetenswroeging krijgt wanneer de volgende haar eigen broer is. Één van de decors is hier afgebeeld. De prachtige decor- en kostuumontwerpen van deze voorstelling, maar ook van andere theaterstukken bevinden zich thans in de collectie van het Theater Instituut Nederland (TIN) te Amsterdam.
Meer informatie: Solange de Boer, ‘Wijdeveld en het theater’, Jong Holland 3 (1992) 92, pp. 25-35.

Gepubliceerd op: www.rond1900.nl [1 mei 2011]

Geïnviteerd door Alma Mahler: Nelly van Doesburg in Wenen

Nelly van Doesburg in het atelier van Piet Mondriaan (detail), 26 Rue du Départ, Parijs, 1923. De foto werd gepubliceerd in: De Stijl VI (1924) nr. 6/7, p. 86.

“De muziekwereld hier is wel interessant! Ik ben goed bekend met Alma Mahler, de weduwe van Gustav Mahler. Die inviteert me veel en ik tref daar altijd interessante lui. Ze neemt me mee naar concerten.” schreef Nelly van Doesburg (1899-1975) aan goede vriend Antony Kok in december 1921.[1] De jonge pianiste verbleef op dat moment enkele weken in Wenen zonder haar geliefde Theo van Doesburg. De twee zouden pas in 1928 in het huwelijk treden maar Nelly van Moorsel werd door haar onafscheidelijkheid van ‘Does’ al snel ‘Mevrouw van Doesburg’ genoemd. Haar tijd in Wenen was echter een korte periode van bezinning waarbij zij op eigen benen stond. Zij werkte er aan haar carrière als avant-gardistisch pianiste onder de artiestennaam ‘Pétro’ en waar kon zij beter in contact komen met de moderne muziekwereld dan in de salon van Gustav Mahlers weduwe Alma?
De omstreden Alma Mahler (1879-1964) werd door sommigen de ‘muze van de vier kunsten genoemd’, anderen zagen haar als een ‘ronduit heerszuchtige, oversekste circe die haar prominente echtgenoten slechts voor haar eigen doeleinden gebruikte.’[2] Dat Nelly van Doesburg in Wenen geïnviteerd wordt door Alma Mahler is niet vreemd. Het eerste contact is waarschijnlijk gelegd via Bauhaus-directeur Walter Gropius (1883-1969), de tweede echtgenoot van Alma. Gropius en Alma hadden al een relatie toen Gustav Mahler nog leefde en waren in 1915 getrouwd om vijf jaar later weer te scheiden. Toch hadden zij nog regelmatig contact, niet te min door hun dochter Manon. Nelly woonde met Van Doesburg in 1921 enige tijd in Weimar en zij zagen de vooruitstrevende architect veelvuldig. Het is dan ook aan te nemen dat Gropius zijn vroegere echtgenote vroeg zich in Wenen over Nelly te ontfermen.

Het leven van de twee kunstenaarsvrouwen vertoont veel parallellen. Alma speelde net als Nelly piano, al had zij daar na haar huwelijk met de beroemde componist geen serieus werk meer van gemaakt. Ook Nelly zou na het huwelijk met Van Doesburg haar pianospel op een laag pitje zetten. Alma en Nelly trouwden op jonge leeftijd met een oudere man die binnen tien jaar zou komen te overlijden. De rest van hun leven stond in belangrijke mate in het teken van het bewaren van de herinnering aan de kunst van Mahler dan wel Van Doesburg. Tegelijkertijd leidden de dames een gepassioneerd liefdesleven waarbij bekende mannen als kunstenaars Gustav Klimt en Oskar Kokoschka, componist Gustav Mahler, architect Walter Gropius, schrijver Frans Werfel (Alma), kunstenaar Theo van Doesburg, politicus Sourou Apithy en Ludwig Mies van der Rohe (Nelly) de revue passeerden.
In de salon van Alma Mahler ontmoette Nelly jonge componisten, voornamelijk leerlingen van musicus Arnold Schönberg, als Egon Wellesz en Paul Pisk, maar ook buitenlandse musici. Samen bezochten zij concerten en de jonge pianiste raakte snel bekend in dit internationaal muzikaal gezelschap. Ook stond er een eigen concert op het programma. Alle mogelijkheden waren aanwezig voor een nieuw leven in Wenen als succesvol pianiste, het enige dat nog in haar weg stond was de grote liefde die ze voelde voor Theo van Doesburg. Op 27 december, slechts drie weken na aankomst in Wenen, stuurde zij Does een telegram waarin zij haar terugkeer naar Nederland aankondigde.
De biografie De doorsnee is mij niet genoeg die kunsthistorica Wies van Moorsel over haar bijzondere tante Nelly van Doesburg schreef, geeft een boeiend beeld op het veelbewogen leven van de pianiste en kunstenaarsvrouw.
Noten:

1.  Brief Nelly van Doesburg aan Antony Kok, 25 december 1921. Geciteerd in: Van Moorsel, p.75.
2. Hilmes, p. 9.
Literatuur:
Wies van Moorsel, ‘De doornee is mij niet genoeg’, Nelly van Doesburg 1899-1975, Nijmegen 2000.
Oliver Hilmes, Alma Mahler-Werfel, De biografie, Amsterdam 2007.
Gepubliceerd op: www.rond1900.nl [12 december 2011]

Breitners uitstapje naar de Veluwe

G.H. Breitner, Zelfportret in hemdsmouwen, 1882, Olieverf op doek, 40 x 30 cm, Collectie Museum Boijmans van Beuningen Rotterdam (afbeelding: RKD)

“Alles ging toen naar Gelderland. Daar was natuur; overal elders het zuivere niets […].”[1]

Het negentiende-eeuwse Gelderse landschap verschilde sterk van het Hollandse. Op de Veluwe vond je uitgestrekte heidevlakten met zandverstuivingen, eeuwenoude eiken en majestueuze wouden. Het leven van de boerenbevolking was zwaar, maar eenvoudig en puur. Deze oorspronkelijkheid van natuur en mens oefende een enorme aantrekkingskracht uit op de stedeling die de opkomende industrialisatie wilde ontvluchten. Behalve botanici, schrijvers en predikanten waren het de schilders die zich vanaf 1830 in toenemende mate op het ‘wild en bijster’ land van de Veluwe waagden.
Waar het gewoon was in de winter een atelier in de stad te huren, trok men in de zomer veelal per trein naar het oosten van het land. Aldaar verbleven de schilders in herbergen, die een belangrijke ontmoetingsplaats vormden, of huurden een eigen atelier. Op veel plaatsen was het gebruikelijk een tuintje te hebben en zo eigen groente en fruit te verbouwen. Producten als boter, melk en kaas kregen zij vaak van de boeren in ruil voor een schilderijtje. Veel van die studies en schetsen bevinden zich nog steeds in de Veluwse dorpen.
Na de bloeitijd die kunstenaarskolonie Oosterbeek aan de Veluwezoom meemaakte, verzamelde een nieuwe groep kunstenaars zich in Nunspeet en Elspeet. De typisch Veluwse natuur en de sterk gereformeerde boerenbevolking van deze streek waren een geliefd onderwerp. De Noordwest Veluwe was destijds een afgelegen gebied. Men kon uren over de hei lopen en hopeloos verdwaald raken in de grote zandmassa en als je pech had werd je ook nog overvallen door struikrovers.
De Veluwegangers voerden regelmatig een briefwisseling met hun collega’s uit het westen. In hun schrijven trachtten hun beroepsgenoten over te halen ook naar het oosten te komen. Zo schreef H.J. van der Weele (1852-1930) regelmatig met G.H. Breitner (1857-1923) over een verblijf in Elspeet. Breitner heeft daar uiteindelijk zo’n drie tot vier maanden gewoond in 1892, maar in tegenstelling tot vele anderen, was hij weinig enthousiast over de streek en maakte hij er geen werk. Hij klaagde over het eten (“Tot nu toe heb ik niets gehad dan snippertjes rookvleesch. Merkwaardig, gisteren een groote biefstuk, door en door gaar, hoor, zoo taai, dat ik er ’s nachts maagpijn van heb gehad. Eieren die zijn goed, maar je kunt toch geen eieren alleen eten.”), de volgens hem ‘saaie mensen’ en ‘leelijke’ vrouwen (“’t zijn harken”) en vroeg Van der Weele hem levensmiddelen als sardientjes en ansjovis te zenden.[2] Breitner had zich waarschijnlijk beter thuis gevoeld in Oosterbeek, waar de elite zich ophield in haar buitenhuizen en waar dus een iets ‘stadser’ klimaat heerste.
[1] De schilder B.J. Blommers over de periode rond 1860. A.G.C. van Duyl, B.J. Blommers, in M. Rooses, het schildersboek, Amsterdam 1899, vol 111, p. 165.
[2] De brieven worden behandeld in: K. Roodenburg, Kunstenaars op de Noordwest Veluwe 1880-1930, Harderwijk 1992, pp. 15-19.
Gepubliceerd op: http://www.rond1900.nl/ [18 augustus 2010]

De Wereldtentoonstelling in 1900

Het Finse paviljoen op de wereldtentoonstelling in Parijs, 1900, interieur. National Board of Antiquities, Helsinki

Het Geschiedeniskanaal van de VPRO besteedt op haar website kort aandacht aan de Parijse Wereldtentoonstelling van 1900. Maar liefst 47 miljoen mensen bezochten het evenement dat voor de vijfde maal in Parijs werd georganiseerd en waarbij onder andere voor het eerst geluidsfilms en roltrappen getoond werden. Blikvanger van het Nederlandse paviljoen was het eierschaalporselein van Plateelbakkerij Rozenburg. Unieke filmbeelden zijn te bewonderen op: http://geschiedenis.vpro.nl/artikelen/37535431/

Fins Paviljoen

Het paviljoen van de Finnen kreeg fresco’s van kunstenaar Akseli Gallen-Kallela (1865-1931) die volksverhalen uit het nationale epos Kalevala uitbeeldden. Finland wilde bij deze gelegenheid bovenal uitdragen dat het een eigen cultuur en identiteit had ten opzichte van de Russische overheerser. Op de foto zien we het verhaal Ilmarinen ploegt de slangenakker dat in dit werk symbool is voor het Finse verzet. De slangen met de kleuren van de Russische vlag worden zonder genade verpletterd door de onsterfelijke smid Ilmarinen. Je zou denken dat de Russische buurman not amused zou zijn, maar ondanks hun overduidelijke boodschap waren Gallen-Kallela’s schilderijen eveneens vertegenwoordigd in het paviljoen van Rusland.
Het paviljoen werd in 1901 afgebroken maar de fresco’s zijn tegenwoordig te bezichtigen in het Nationaal Museum te Finland waar ze in de koepel zijn nageschilderd [informatie Jalf Flach].

Literatuur: Patty Wageman, David Jackson (red.), Akseli Gallen-Kallela, De Magie van Finland, Groningen (Groninger Museum) 2006.

Gepubliceerd op: http://www.rond1900.nl [4 augustus 2010]

Afscheid van lange lichte zomeravonden

Harald Sohlberg (1869-1935) Bloemenwei in het Noorden (En blomstereng nordpå) , 1905 Olieverf op doek, 96 x 111 cm Nasjonalgalleriet, Oslo

Een bloembed vol madeliefjes. Een mistig landschap en een kronkelende rivier in het licht van de maan. Het enige spoor van menselijke aanwezigheid is een boerderij op de achtergrond. Van het kleinste tot het grootste, van de bloemen op de voorgrond tot het mistige landschap op de achtergrond, alles lijkt onderworpen te zijn aan een bovennatuurlijke orde: een lofzang op de natuur. Het schilderij Bloemenwei in het Noorden laat je in deze herfstige periode verlangen naar de lange lichte avonden van de zomer.

De Noorse kunstenaar Harald Sohlberg (1869-1935) schilderde zijn bloemenwei in 1905 toen hij enige tijd op de boerderij Gullikstad woonde, vlakbij het mijnstadje Røros in het noorden van Noorwegen. Hij was net als vele landgenoten na een verblijf in Berlijn en Parijs rond de eeuwwisseling teruggekeerd naar zijn eigen land onder invloed van het opkomend nationalisme. De indrukken die deze kunstenaars in het westen hadden opgedaan zouden alles bepalend zijn voor het tot stand komen van een typisch Scandinavische kunst, gekarakteriseerd door het moderne plein-airisme en andere internationale invloeden gecombineerd met nationalisme en individualiteit. De nieuwe kunst van het Noorden was een mix van realisme, naturalisme en symbolisme. Het landschap dichtbij de poolcirkel met haar fjorden, noorderlicht en uitgestrekte bossen was het decor. In de landschappen van Harald Sohlberg zijn al deze elementen terug te vinden. Uitgangspunt in zijn werk was Sohlbergs persoonlijke ervaring van het landschap, het licht en de lucht en hij schilderde zijn emotionele reactie daarop. Alvorens het schilderen vormde de kunstenaar eerst het beeld in zijn gedachten. Hij trachtte zo de betekenis die deze omgeving voor hem had vast te leggen. Sohlbergs schilderijen worden ook wel ‘landschappen van de ziel’ genoemd en nemen een bijzondere plaats in binnen de symbolistische kunst van Scandinavië rond 1900. Om ze in het echt te bewonderen is een reis naar Noorwegen bijna onvermijdelijk. Harald Sohlberg geniet in tegenstelling tot zijn beroemde land- en tijdgenoot Edvard Munch hoofdzakelijk in Scandinavië bekendheid en zijn werk bevindt zich dan ook met name in de collecties aldaar.
Literatuur:
Kirk Varnedoe, Northern light: Nordic art at the turn of the century, tent. cat. New York (Brooklyn Museum) 1982.
A Mirror of Nature, Nordic Landscape Painting 1840-1910, tent. cat. Kopenhagen (Statens Museum for Kunst) e.a. 2006.

Gepubliceerd op: http://www.rond1900.nl [27 oktober 2010]

Munchs gedicht over het leven, de liefde en de dood

Tentoonstelling van het Levensfries van Edvard Munch bij Galerie P.H. Beyer & Sohn, Leipzig, 1903

De Kunsthal in Rotterdam toont dit jaar het werk van de Noorse meester Edvard Munch (1863-1944). Bijzonder is dat de ruim 150 werken stuk voor stuk afkomstig zijn uit particuliere collecties en een unieke verzameling vormen die niet eerder in deze samenstelling tentoongesteld werden. In zijn werk verbeeldt Munch met een expressieve lijnvoering en kleurgebruik het leven, de liefde en de dood. Zijn werk spat van het doek af en brengt de toeschouwer in verwarring en ontroering. Het mysterieuze licht van het Noorden geeft de kunst een symbolistische lading die typisch is voor de Scandinavische kunst van de eeuwwisseling.

Een oude foto toont een tentoonstelling van het werk van Edvard Munch zo’n honderd jaar geleden. Bij Galerie P.H. Beyer & Sohn te Leipig was in 1903 Munchs Levensfries te bewonderen met op de wanden van de prachtige Art Nouveau-zaal de vier thema’s: Ontwakende liefde, Bloei en ondergang van de liefde, Angst voor het leven en Dood. De witte lijst om het fries is door Munch zelf ontworpen, met als doel de verschillende kleuren en afmetingen van de werken en hun lijnenspel van horizontaal en verticaal met elkaar te verbinden. De kunstenaar schreef over zijn Levensfries dat een jaar eerder ook bij de Berliner Sezession te zien was:
“Het fries des levens is als een reeks bij elkaar horende schilderijen gedacht, die in hun totaliteit een beeld moeten geven van het leven. Door het hele fries heen is de brede boog van de kustlijn getrokken, waarachter de eeuwig roerende zee woedt; onder de kruinen der bomen ademt het bonte leven met zijn zorgen en vreugden. Het fries is een gedicht van het leven, van de liefde en van de dood… De schilderijen met het strand en de bomen – hier komen steeds dezelfde kleuren terug, de zomernacht maakt er een harmonieus geheel van -, de bomen en de zee geven loodrechte en horizontale lijnen, die zich op elk schilderij herhalen, het strand en de mensen geven de tinten van het wild voortwoekerende leven – krachtige kleuren klinken als een echo die op alle doeken weerkaatst wordt…”[1]

Het Levensfries dat gezien kan worden als het levenswerk van Edvard Munch werd vervolgens in Kopenhagen, Kristiania (Olso) en ten slotte in Praag tentoongesteld, telkens in wisselende samenstelling. Hoewel de schilderijen op zichzelf staan hadden zij volgens Munch in de context van het Levensfries de uitwerking van een symfonie omdat zij elkaars kwaliteit versterken en een verhaal vertellen. De werken zijn verspreid geraakt over verschillende musea en particuliere eigenaren en ongetwijfeld zijn enkele ervan momenteel te bewonderen in Rotterdam.

Tentoonstelling:De tentoonstelling Edvard Munch is te zien van 18 september 2010 t/m 20 februari 2011 in de Kunsthal te Rotterdam. Meer informatie op: http://www.kunsthal.nl/22-646-Edvard_Munch.html

Afbeelding: Im Lichte des Nordens, Skandinavische Malerei um die Jahrhundertwende, Düsseldorf (Kunstmuseum Düsseldorf) 1986, p. 21.

[1] Bron onbekend. Citaat overgenomen uit: Ulrich Bischoff, Edvard Munch 1863-1944, Keulen 2001, p. 50.

Gepubliceerd op: http://www.rond1900.nl [3 oktober 2010]