Portret van een modern meester

Piet Mondriaan in zijn atelier aan het Rembrandtplein 10 te Amsterdam, 1905-begin 1906 (fotograaf onbekend). Foto collectie RKD Den Haag.
Bovenstaande atelierfoto toont Piet Mondriaan ongeveer een jaar voor Lurasco’s publicatie. Hij woont dan op de zolder van kunstenaarsvereniging Sint Lucas, waarvan hij bestuurslid is. Zijn ruime atelier bestaat uit een woon- en werkgedeelte. De muren zijn witgeschilderd, ongebruikelijk voor die tijd en misschien wel een voorbode voor Mondriaans latere Parijse ateliers. Dat Mondriaan deze foto’s (er is er nog één van het woongedeelte) van zijn atelier laat maken, vertelt ons over de zelfverzekerdheid waarmee de schilder in het vak staat. Hij presenteert zich als een geslaagde en serieuze kunstenaar, poserend in zijn nette pak met palet in de hand en zittend voor een schildersezel.[2] Zijn schilderijen zijn in die tijd nog figuratief en bestaan voornamelijk uit portretten en landschappen. De kunstenaar heeft nog een lange weg te gaan om tot de abstracte composities te komen die hem zo wereldberoemd zouden maken.
Onderzoek naar Mondriaan
Vandaag de dag is Piet Mondriaan een welhaast mythische figuur in de kunstwereld en wordt gezien als één van de belangrijkste pijlers van de moderne kunstgeschiedenis. Zijn persoon is en blijft fascinerend door de mythevorming bestaande uit herinneringen van tijdgenoten, waarin hij als kluizenaar en rechtlijnige man of juist als feestbeest en vrouwenliefhebber wordt bestempeld. We zullen het vooral met ooggetuigenverslagen en speculaties moeten doen, want Mondriaan bewaarde zijn eigen correspondentie niet en hield, voor zover bekend, ook geen dagboek bij. De gegevens die we ter beschikking hebben, waaronder veel door Mondriaan geschreven brieven, bieden echter een schat aan informatie en bevinden zich onder andere in archieven van tijdgenoten als Theo van Doesburg, Bart van der Leck, César Domela en van latere Mondriaan-onderzoekers als Hans Jaffé, Robert Welsh en Herbert Henkels. Alle hierboven opgesomde archieven bevinden zich bij het RKD (Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie) in Den Haag.
Al vanaf de jaren zeventig tracht het RKD de overgebleven archieven en documentatie van Piet Mondriaan en de kunstenaars van De Stijl bij elkaar te brengen. In de collectie bevindt zich, naast de reeds genoemde archieven, inmiddels ruim de helft van alle originele correspondentie van Mondriaan. Ook is er een groot aantal bijzondere kunstenaarsportretten en atelierfoto’s van Mondriaan en tijdgenoten aanwezig. Met deze collectie is het voor kunsthistorici mogelijk op één plek intensief onderzoek te verrichten naar leven en werk van Piet Mondriaan en de overige kunstenaars van De Stijl.
Momenteel worden er twee fundamentele verzamelingen met Mondriaan archief en documentatie aan het RKD aangeboden. Ze vormen enkele van de ‘laatste bouwstenen’ voor deze belangrijke collectie die zoveel aandacht krijgt in binnen- en buitenland. Het RKD vraagt iedereen die dit belang ook onderschrijft om extra steun via een financiële gift om de aanschaf mogelijk te maken.
Meer informatie:
Noten:
[1] Lurasco, p. 10. N.B. Dit boekje diende ter inspiratie voor de titel van dit blog.
[2] Welsh e.a., pp. 49-51. Een interessant artikel over Mondriaans zelfbeeld als kunstenaar is: Wietse Coppes, ‘ Photographies, Reproductions et Portraits: l’image que Mondrian veut donner de lui-meme’: in Mondrian, Parijs (Centre Pompidou) 2010.
Meer informatie in het algemeen over kunstenaars die zichzelf presenteren via hun ateliers is te vinden in: Mayken Jonkman en Eva Geudeker (red.), Mythen van het atelier, Werkplaats en schilderpraktijk van de negentiende-eeuwse Nederlandse kunstenaar, Zwolle/Den Haag (RKD) 2010.
Literatuur:
F.M. Lurasco, Onze moderne meesters, Amsterdam 1907.
Robert Welsh, Boudewijn Bakker en Marty Bax, Mondriaan aan de Amstel, 1892-1912. Amsterdam (Gemeentearchief) 1994.