Het hondje van de rijken.

Guillaume Anne van der Brugghen, Portret van een Hondje, 1891, Olieverf op doek op paneel, 15,5 x 18 cm. Inv.nr. SK-A-2092 . Collectie Rijksmuseum Amsterdam

 

In een salon bij ’t warme haardvuur,

Ligt Fifi in zijn zijden mand;
Hij laat zich lekk’re hapjes voeren,
En streelen door een dameshand.
En om den hoek in ’t nauwe steegje,
Zit in een krot een weduwvrouw;
Bij d’ harde stroozak van haar kind’ren,
Schreiend ontwakend van de kou.

Refrein:

Het hondje van de rijken,
Dat leeft in overvloed,
Terwijl het kind der armen,
Zooveel ontberen moet.
Het hondje van de rijken,
Krijgt alles even fijn;
En menig kind der armen,
Zou zoo graag zo’n hondje zijn.
Als Fifi ’t vleesch niet malsch genoeg vindt,
Haalt hij den neus op en bromt kwaad;
Dan komt de dienstmeid die het eten,
Achter een boom werpt op de straat.
En is de dienstmeid weer naar binnen,
Komt ’t kindje, haveloos gekleed;
Dat smult ervan en Fifi ziet het;
En gromt voor het raam: Foei, wat ’n Proleet.
Als Fifi dood is liggen bloemen,
En mooie rozen op zijn mand;
Hij krijgt een eigen graf met ’n grafsteen,
Daar heeft hij recht op van zijn stand.
Als ’t kind der armen wordt begraven,
Daalt ’t ruwe kistj’ in ’t groote graf;
Snikkend zegt de moeder; lief’ling,
Een bloempje? Heusch ’t kon er niet af.[1]
——–
[1] Straatlied van E. Paoli uit het begin van de twintigste eeuw met vermelding: ‘op muziek 60 cent’. Een andere versie heeft bovenaan de tekst: “Mijnheer. Mevrouw. Leg dit s.v.p. niet ongelezen ter zijde.” en onderaan: “Uit nood gedreven kom ik u mijn lied aanbieden. Prijs wordt aan uw edelmoedigheid overgelaten. Hierop wordt door mij persoonlijk antwoord gehaald.”
Beide versies bevinden zich in de collectie straatliederen van het Meertens Instituut en de KB en zijn, evenals  portret van een hondje, ontsloten via de website Het Geheugen van Nederland.

Gepubliceerd op: www.rond1900.nl [13 maart 2011]