Bezielde dorpen van Roland Holst en Fernhout

“Eerst waren het meerendeels de schilders, die hun baard dan lieten staan, en er, door hun ezel begeleid, op uittrokken om hier of daar een brokje natuur te verschalken. Weldra kwamen er ook wel dichters, die zich zoo gaarne minder ezelachtig wanen, en die, om zich in dien waan te versterken met verwarde gedachtenwisselingen – waaruit zelden meer restte dan een aschbak vol peuken – maar al te zeer geneigd bleken, die grootsche natuur te verheerlijken in de kleine dorpskroeg.
Toch was dit alles niet zonder een dieper zin, want kunstenaars zijn nu eenmaal de veelal ietwat malle dragers van het beste, waartoe het menschelijk wezen als gemeenschap bij machte is: de verlossing uit den tijd in de ruimte.”[1]

Adriaan Roland Holst schrijft in 1957 ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van Kunstenaars Centrum Bergen het essay ‘Bezielde Dorpen’ waarin hij enkele herinneringen en gedachten over het fenomeen kunstenaarsdorp beschrijft. Roland Holst woonde zelf jarenlang in het Gooi waar hij omging met Piet Mondriaan, Martinus Nijhoff en natuurlijk met zijn oom Rik en tante Jet die er een door Berlage gebouwde villa bewoonden. Ook zat hij een tijd in het zonnige Ascona, Cagnes en Positano. Maar: “In mijn hart heeft Bergen het, en voorgoed, gewonnen.”[2] Daar woonde eveneens zijn goede vriendin, en vroegere lief, Charley Toorop. Na haar overlijden betrok zoon Edgar Fernhout haar atelierwoning ‘De Vlerken’ en ook hij was onder de bekoring van het Bergense. De twee prachtige illustraties die Fernhout voor ‘Bezielde Dorpen’ maakte getuigen daarvan.

[1] Roland Holst, p. 8.
[2] Idem, p. 13.

Bron: Adriaan Roland Holst, Edgar Fernhout (illustraties), Bezielde Dorpen, Den Haag 1957.